Copiapoa - Living on the Edge
Online Texts

[ home ]   [ Nederlands ]   [ English ]
[ Part I ]   [ Part II ]   [ Part III ]   [ Part IV ]   [ Part V ]   [ Part VI ]  [ Part VII ]   [ Part VIII ]   [ Part IX ]   [ Part X ]
[ Part XI ]   [ Part XII ]   [ Part XIII ]   [ Part XIV ]   [ Part XV ]   [ Part XVI ]   [ Part XVII ]

Succulenta

1972 (2):36-38

Een reis met Friedrich Ritter langs de kustgebieden van Chili en Peru
pt XV

A. F. H. BUINING

Ten slotte vond ik een mij onbekende Erdisia met onderaardse wortelstok, enkele  zeer mooie diep goudgeel bedoornde vormen van Weberbauerocereus en een vrij jonge plant van Browningia candelaris, die nog geen kroon gevormd had maar wel bloeibaar was, hetgeen bleek uit het ontbreken van de zware bedoorning en het verdichten van de areolen, die alleen harige borstels produceerden. Zonder de bekende kroon verkijkt men zich gemakkelijk op deze plant, die er dan heel merkwaardig uitziet. Op de terugweg zag ik tegen steile rotswanden prachtige sneeuwwitte exemplaren van Tephrocactus multiareolatus.

Terug in Chala ging het verder in de richting van Nazca. Op zeer dorre heuvels zochten we enige keren tevergeefs naar Islaya biocolor, die vóór Nazca moet voorkomen. Voor zover mij bekend werd deze plant alleen gevonden door Akers en later ook door Ritter.

Islaya flavida Ritter nom. prova. op 1300 m in Zuid Peru. foto: Buining

Eulychnia ritteri Cullm.forma cristata in het zuiden van Peru. foto: Buining

Het begon al iets te schemeren en er blies een harde koude zeewind toen we meenden in de verte Islaya's te zien. Dit bleek inderdaad het geval te zijn en ook dat dit de gezochte soort was, die aldaar vrij veelvuldig maar verspreid over een groot terrein voorkwam. Wie schetst mijn verbazing toen ik naar een wat uitstekende heuvel rende en daar de door mij destijds gepubliceerde Haageocereus multilcolorispinus vond. die Akers reeds jaren geleden bij Islaya bicolor had verzameld. Ritter is van oordeel dat dit slechts een vorm is van Haageocereus decumbens, wat ik toch wel moet betwijfelen. Hoe dan ook het was voor mij een bijzonder verheugende ontdekking naast deze nog al zeldzame Islaya. Ondertussen was het donker geworden en verkleumd reden we voorzichtig naar Nazca.

Vanuit dit stadje trokken we door een dal opnieuw de hoge bergen in. Aanvankelijk was het zeer zeer droog, maar steeds hoger stijgend langs een gevaarlijk smal soort weggetje kwamen we van een stralend zonnig gebied, waar we Weberbauerocereus rauhii, Loxanthocereus clavispinus en L. hystrix vonden, op ongeveer 1800 meter hoogte, waar Browningia candelaris, wellicht een vorm of variëteit daarvan begint, in dichte nevels terecht.

(wordt vervolgd)

All material, except where otherwise credited, is Copyright
  © 2001-2006 Paul Klaassen
 
---------- end of page ----------