De reis per trein naar
Cuzco via Puno aan het Titicacameer op 3810 m hoogte was een
belevenis. Op deze plaats zal ik hierover niet uitweiden. Onderweg
uit de trein zagen we als cactussen wel sneeuwwitte groepen
Tephrocactus floccosus. Rond Cuzco en Pisac verzamelde Ritter
nog wat Lobivia's toen mijn vrouw en ik naar Machu
Picchu waren. Het waren deels Lobivia corbula en
L. pentlandii, deels ons niet bekende species. Samen gingen we
op een dag naar Urcos en vonden daar de destijds door Rauh
verzamelde Lobivia huilcanote. Na deze machtig
interessante reis door het oude Inca-rijk, vertrokken we 19
februari weer van Arequipa naar de kust.
Onvoorstelbaar was de
groeiplaats van Islaya divaricatiflora, Pygmaeocereus
bylesianus, Haageocereus chalaensis en een
Loxanthocereus species.

Pygmaeocereus bylesianus op 900 m
bij Camana, Zuid Peru. foto: Buining
Evenals de wat later
gevonden Islaya brevicylindrica groeiden deze
planten in vrijwel zuivere pulver van gips. Onze benen waren
sneeuwwit tot aan de knieën toen we weer bij de auto waren. Verder
noordwaarts gaande, deels langs de kust, vonden we Islaya
copiapoides. We waren echt in het Islayagebied
aangekomen. Voorbij Ocoña (spreek oconja) maakten we op 300 meter
ons nachtleger met zicht op de prachtige blauwe Stille Oceaan
tussen de bergen door.
's Morgens bestegen we de
dorre droge bergen en vonden daar Islaya glaucescens
en opnieuw Haageocereus chalaensis. Wij hielden ons
voorlopig aan de Pan Americana en reden berg op berg af, dan weer
dicht langs de rotsachtige kust dan weer ver landinwaarts. Dicht
bij zee bestegen we een berg waarop groeide de destijds door mij
beschreven Loxanthocereus gracilis. Zij groeit daar te
samen met Corryocactus brachypetalus. Ook vonden wij
de destijds niet door ons beschreven vorm, die later ten onrechte
door Backeberg gepubliceerd werd als variëteit nana.

Islaya glaucescens Ritter nom. prov. op 325
hoogte langs de kust in Zuid Peru. foto: Buining
Deze plant was afkomstig
van oorspronkelijk door mij van Akers ontvangen materiaal, waarvan
de heer Andreae ook had gekregen.
Heel dicht aan de kust
stonden heerlijke oude exemplaren van Neoraimondia arequipensis
met haar hoogst merkwaardige areolen die als lange dikke
vingers uit de ribben steken. Nog wat verder op toonde Ritter ons
zijn Haageocereus subtilispinus. Langs de kust zagen
wij geregeld klippen die wit waren van de guano, de witte
uitwerpselen van de
grauwe rotspelikanen.

Loxanthocereus gracilis (Akers et Buin.) Bckbg.
op bergen direct langs de kust in Zuid Peru, (op de achtergrond)
met Haageocereus subtilispinus Ritter nom. prov. op de voorgrond.
foto: Buining

Neoraimondia arequipensis (Meyen) Bokbg.
aan de kust bij Atico, Peru. foto: Buining

Pygmaeocereus familiaris Ritter nom. prov. op
dorre heuvels langs de kust in Zuid Peru. foto: Buining

Neoraimondia arequipensis (Meyen) Bckbg. op
1900 m diep in het binnenland van Zuid Peru. foto: Buining
Deze klippen zijn soms zó
dicht bezet met deze vogels dat ze daardoor grauw uitzien. Het is
een boeiend gezicht deze vissende pelikanen. De toch nog al vrij
zware en iets plomp aandoende vogels zweven een twintig meter
boven het water en nemen dan ineens een loodrechte duik naar
beneden, de vleugels strak langs het lichaam. Ze verdwijnen geheel
onder water en komen dan praktisch altijd met een grote vis in de
bek boven, die ze behendig in de lucht werpen en weer opvangen in
hun enorme zakbek.
Niet zo ver zuidelijk van
Atico komen op dergelijke klippen als enige plaats in dit gebied
zeeleeuwen voor. We konden hun gebrul duidelijk horen. In dit
gebied groeit ook Islaya grandiflorens. We konden deze dag nog
juist Chala bereiken, waar we een primitief onderkomen vonden. Het
is in dit gebied langs de kust nog steeds erg droog, maar wat
landinwaarts vonden we Armatocereus ghiesbreghtii, de tot
10 meter bij de rotsen neerhangende Trichocereus chalaensis,
waar tot onze verrassing ook nog enkele planten van
Loxanthocereus gracilis werden gevonden.
Onverwachts houdt Ritter
stil bij een volkomen kale wat steenachtige heuvel en begint
daarop te zoeken alsof hij daar een naald had verloren. Mijn vrouw
die zeer scherp kijkt, ontdekt dan Pygmaeocereus familiaris,
waarvan Ritter wist dat ze daar voorkomen. Heel kleine kopjes in
vrij grote groepen samengroeiend. Ze gaan geheel schuil onder vrij
fijne steenslag.

Armatocereus ghiesbreghtii in het zuiden van
Peru, vrij dicht bij de kust. foto: Buining
Islaya paucispina
zagen we bij duizenden op dorre heuvels en bergen. De door
Backeberg beschreven soort Islaya paucispinosa kan direct
met tientallen zogenaamde soorten uitgebreid worden, als men alle
kleine verschillen in de daar voorkomende I. paucispina als
kenmerken van soorten zou willen zien.
We zochten een hele
namiddag tevergeefs naar Eulychnia ritteri tot diep
landinwaarts. De volgende morgen doorkruisten we een ander gebied
en stuitten toen toch op deze ongetwijfeld mooiste soort uit dit
geslacht. Ze heeft rose bloemen, die we konden bewonderen.
De volgende dag gingen we
een dal in, dat ons bracht tot op 3300 meter hoogte langs
onbeschrijfelijk smalle en slechte weggetjes, waar we telkens
aantallen kruisjes zagen staan als teken hoeveel mensen daar per
auto afgestort en verongelukt waren. We vonden daar tenslotte
Matucana robusta, Tephrocactus alboareolatus, prachtig diep
goudkleurig bedoornde Weberbauerocereus fascicularis var.
horridus, een heel lang en dikbedoornde vorm van
Haageocereus platinospinus en Tephrocactus multiareolatus.
Lager weer in het dal op
circa 1300 meter, dicht bij onze overnachtingsplaats vonden we
Islaya flavida. Opnieuw gingen we van uit ons nachtleger een
zijdal in dat ons weer tot circa 1900 m hoogte diep in de bergen
bracht. In dit nog al onbekende dal vonden we Islaya flavida,
Mila nealeana, Arequipa spinosissima, Melocactus peruvianus,
Loxanthocereus variabilis en een
onbekende species van Corryocactus.
Dicht voorbij het dorp,
dat dit dal afsloot, de weg of beter gezegd het pad dat verder de
bergen in ging was blijkbaar door een wolkbreuk of iets dergelijks
volkomen verdwenen en niet meer hersteld, liet Ritter zijn rugzak
waarin zijn fototoestel staan. Hij moest dus snel terug met mijn
vrouw en vond de rugzak gelukkig weer terug. Zelf ben ik dus maar
verder gaan zwerven tot diep in de bergen. Op deze meest
zuidelijke plaats van Arequipa spinosissima en ook
Melocactus peruvianus, bleek, dat de laatste tot hoog in de
bergen veelvuldiger voorkwam, zeker tot 2500 meter, misschien wel
hoger.
( wordt vervolgd)
|