Diep in de aarde is de
grond nog stofdroog. De planten liggen allen zijwaarts afgebogen
van de zeewind. Door dit droge gebied gaande, vrij diep de Andes
in, zagen we op 3500 m hoogte de eerste onweerswolken sedert onze
komst in Chili, ja er vielen zelfs enige regendruppels, maar die
kwamen niet verder westwaarts.
Daar zagen we de eerste
Browningia candelaris, Oreocereus variicolor, Corryocactus
brevistylus, Arequipa hempeliana, Neowerdermannia chilensis,
Tephrocactus berteri en T. echinaceus en de nog
onbeschreven Haageocereus chilensis, waarvan Ritter
nimmer bloem, vrucht en zaad had kunnen verzamelen. Dit keer waren
we zo gelukkig deze ontbrekende gegevens wel te kunnen verzamelen.
Eindelijk konden we dan
op 7 februari de grens naar Peru overschrijden, waar we echter nog
al wat problemen met de politie ondervonden, die echter hoe verder
we van het grensgebied kwamen minder werden. Na eerst nog
Islaya unguispinus verzameld te hebben reden we door
naar Moquegua en van daar hoog de bergen in, waar we voor het
eerst stootten op Neoraimondia arequipensis. Een
interessante reuzenplant die nog al variabel is en waarvan veel te
veel planten als zelfstandige soorten werden beschreven.
Weberbauerocereus fascicularis kwam in grote groepen
voor en stond nog gedeeltelijk in bloei en werd door kolibries
bevlogen.
We moesten in een erg
naargeestig armzalig dorp overnachten en trokken de volgende
morgen verder de bergen in tot op 3500 meter.
Weberbauerocereus fascicularis (Meyen) Bbg.
op 1900 m hoogte in het zuiden van Peru.
foto: Buining