De weg voerde ons nu naar
het Chilisalpetergebied vooral rond Maria Elena. Het vroegere
individuele kleinbedrijf bij salpeterwinning is niet meer lonend,
zodat zich slechts enkele grote bedrijven staande kunnen houden.
Wij trokken door een gebied dat door bulldozers omgewoeld was bij
deze winning en wat veel had van een door zware bombardementen
doorploegd terrein. Verder naar het noorden lagen de salpeterlagen
als witte sneeuw aan de oppervlakte, zo voor het opscheppen. Des
te dichter wij bij Arica kwamen des te troostelozer werd de
woestijn. Vrij dicht bij op een bergtop groeide Tillandsia
werdermanniana, die ik op verzoek van Prof Rauh uit
Heidelberg wilde verzamelen. De planten lagen als verdroogd gras,
ja als hooi, op de gloeiend hete lichtgele grond, niet één levende
plant vonden we, terwijl Ritter toch voor ruim 10 jaren daar nog
goede planten gezien had. Het schijnt alsof in het noorden van
Chili en in het zuiden van Peru de natuur steeds droger wordt.
We lieten dus Iquique met
Pyrrhocactus floribundus (Ritter's vroegere P.
iquiquensis) als het zuidelijkst voorkomende punt waar
Haageocereus decumbens voorkomt, liggen.
In Arica bezochten we
enige vrienden die Ritter destijds in deze woonplaats gemaakt had.
Voorts moesten we kisten kopen om van hier mijn verzamelde planten
per schip naar Holland te verschepen. Eenvoudig was dit niet,
verre van dat, maar ten slotte kwam dit voor elkaar. Veel
moeilijker was het voor Ritter om een vergunning te krijgen om met
zijn auto de grens naar Peru over te komen. Na een week bleek dit
eigenlijk onmogelijk, totdat een vriend, de heer Nevermann,
adviseerde lid te worden van de Chileense Automobiel Club, en zie
in een uur tijd was alles rond en voor een redelijk bedrag.