Antofagasta is in
verhouding tot de meeste noordelijke kustplaatsen een grote stad,
die volop water krijgt uit de hoge Andes via pijpleidingen. Zelfs
ziet men buiten de stad op de troosteloze kale geelachtige
woestijngrond zo nu en dan volkomen vierkante gedeelten die door
permanente besproeiing zijn herschapen in de meest frisse moes- en
vruchttuinen. We zijn hier trouwens niet ver meer van de grote
natuurlijke Chilisalpeterlagen. Met voldoende irrigatie heeft men
hier enorm vruchtbare gronden. Verder naar het noorden igt de
havenplaats Tocopilla, de grootste uitvoerhaven van koper van
Chili, dat voor koper het grootste uitvoerland is ter wereld.
De bergen zijn in deze
gebieden nog al hoog en door de zeer uitgestrekte zand- en
leemwoestijnen moeilijk te bereiken. Hier laten de meesten verstek
gaan. Mijn vrouw bleef 'thuis' en Ritter en ik maakten een grote
bergtoer. Zo bezochten we de enige plek die Ritter kent waar nog
één exemplaar van Pyrrhocactus residuus groeit. Na een foto
van dit zeldzaam exemplaar genomen te hebben bouwden we er nog een
extra rotsbescherming omheen om zoveel mogelijk te voorkomen, dat
dit exemplaar door Guanaco's zou worden gevreten. Om op de bergkam
te komen moesten we nog een aanzienlijk stuk stijgen, maar tegen
12 uur waren we toch bovenaan, waar we onze meegebrachte lunch
gebruikten. Langs een zeer steile flank van deze kam moesten wij
zien te komen bij de groeiplaats van Copiapoa boliviana
en Pyrrhocactus vexatus, alsmede Eulychnia
floresiana.
Dit gebied was alleen te
bereiken langs een zeer smal paadje wat uitgelopen was door
Guanacos. Toen we op een gegeven moment een merkwaardig zeer hoog
gefluit hoorden, vertelde Ritter mij, dat dit de
waarschuwingskreet van de Guanacos is. En inderdaad op een gegeven
ogenblik zagen we een bruinachtige Lama-soort zich sierlijk
voortbewegen over de rotsachtige bergen. Naast deze wilde soort is
er een tweede wilde Lama, die Vicuna (uitspreken vicoenja) heet en
die wat kleiner en nog sierlijker is. Reeds van oudsher,
waarschijnlijk uit de vroeger veelvuldig en wijd verspreide
Guanaco, fokten de indianen twee tamme soorten n.l. de Lama en de
Alpaca, de eerste werd als lastdier gebruikt, de tweede leverde en
levert de Lamawol.

Eulychnia floresiana Ritter op bergen
direct aan de kust in Chili. Foto: Buining
Na een lange tocht kwamen
wij op het gewenste punt aan en zagen daar grote groepen van de
Copiapoa en de schitterende Eulychnia.
Naar de door de Guanaco's belaagde Pyrrhocactus vexatus
moesten we hopeloos lang zoeken om althans een foto te kunnen
maken van deze zo zeldzame plant op haar groeiplaats. Terwijl wij
hier mee bezig waren zweefden de eerste enorme Condors boven ons,
die ons nauwgezet in de gaten hielden, wellicht hopende op een
verongelukken van deze twee menselijke wezens om als buit te
dienen.
Intussen begonnen nevels
uit zee op te stijgen en landinwaarts te drijven. In een oogwenk
was het gebied beneden ons aan het oog onttrokken, zodat het te
gevaarlijk werd om hier ergens af te dalen. Er zat niets anders op
dan de lange gevaarlijke weg langs de uitgestrekte golvende kam
terug te gaan. Eindelijk kwamen wij op de lunchplaats aan en dit
keer weigerde ik nogmaals om de steile door losse steenslag zo
gevaarlijke afdaling te wagen. Ditmaal hadden we in het afdalende
ravijn met tenminste vaste rotspunten meer geluk dan enige weken
tevoren, alhoewel er toch nog wel erg moeilijke momenten kwamen.
Vlak voor het donker
worden bereikten we de auto en kwamen toen na nog een lange rit
bij ons hotelletje in Antofagasta aan. Nog één maal weken we in
Chili weer van de hoofdweg af om in Tocopilla te komen, waar we in
de bergen naar Copiapoa tocopillana en Eulychnia
iquiquensis zochten. De laatste vonden we vrij
gemakkelijk, maar de Copiapoa liet verstek gaan. Wel
zagen we weer Guanacos, die deze kleine vrij zacht bedoornde
Copiapoa waarschijnlijk afgevreten hadden.

Eindelijk aan de top der bergen bij Tocopilla met
Eulychnia iquiquensis Ritter.
Foto: Buining
(Wordt vervolgd)