Copiapoa - Living on the Edge
Online Texts

[ home ]   [ Nederlands ]   [ English ]
[ Part I ]   [ Part II ]   [ Part III ]   [ Part IV ]   [ Part V ]   [ Part VI ]  [ Part VII ]   [ Part VIII ]   [ Part IX ]   [ Part X ]
[ Part XI ]   [ Part XII ]   [ Part XIII ]   [ Part XIV ]   [ Part XV ]   [ Part XVI ]   [ Part XVII ]

Succulenta

1971 (7):156-158

Een reis met Friedrich Ritter langs de kustgebieden van Chili en Peru
pt X

A. F. H. BUINING

Toen ik Ritter eens vroeg waarom juist hij zoveel soorten cactussen gevonden had en de andere verzamelaars veel minder, antwoordde hij, dat deze heren niet die moeilijke en gevaarlijke klimpartijen ondernamen en zodoende niet op die bijzondere plaatsen waren geweest, waar hij juist zijn meest bijzondere planten gevonden had. Hij heeft honderden bergen bestegen met als vaak enig resultaat het vinden van een oude niet meer bekende plant of één nieuwe soort en dit dan slechts op elke 10 bergen hoogstens één bijzondere plant.

Voor ons was dit betrekkelijk eenvoudig omdat wij met Ritter regelrecht op het doel konden afgaan, alhoewel er wel momenten waren, dat ik nauwelijks de moed en de kracht kon opbrengen nog verder bergopwaarts te gaan. Alleen de brandende liefde voor deze planten, geeft je dan de energie om verder te gaan.

Vooral als je dan hoog in de bergen onverwachts stuit op groepen van Copiapoa krainziana, naar mijn smaak de mooiste Copiapoa die tot dusverre bekend is. Kleine importen of uit zaad gekweekte exemplaren van deze soort doen je voor jezelf een denkbeeld vormen hoe deze planten er in de eigen natuur uitzien, maar dit beeld klopt geenszins met de werkelijkheid, althans bij mij niet. Prachtige grote groepen, dicht en lang bedoornd, variërend van vrijwel sneeuwwit, lichtgrijs, iets blauwachtig, tot aan donkergrijs, maakten de hellingen langs een hoog dal tot een waar cactussprookjesparadijs. Zo iets vergeet men niet weer. En alhoewel ik op de lange en nogal steile terugtocht een keer lelijk viel te midden van mooie groepen Copiapoa cinerea, waar ik kennelijk meer aandacht voor had dan voor de moeilijke afdaling, de C. krainziana belevenis kon niets meer verstoren.

Op 24 januari verder gaande vonden we langs de nog al steile kust Copiapoa cinera var. albispina en de nogal sterk verbreide en massaal voorkomende Copiapoa haseltonia, waarvan we mooie foto's konden maken en veel zaad verzamelen. Verder in het binnenland kwamen we op de groeiplaats van Copiapoa humilis, die momenteel veel minder talrijk voorkomt dan ik had gedacht. Ook Pyrrhocactus paucicostatus var. viridis komt niet veelvuldig voor. Hogerop vonden we groepen van Backeberg's Copiapoa gigantea, die deze destijds in de nacht tijdens een taxi-autorit naar Taltal vond. Het verschil met C. haseltonia is zeer gering te noemen.

We moesten moeilijke klimpartijen maken om op de stoffige plaatsen in de rotsen te komen waar Ritter's Pyrrhocactus cachitaensis var. elongatus en de variëteit densispinus groeit. Geleidelijk kwamen wij tot op 2000 m hoog in de woestijnbergen, waar als enige plant voorkomt Copiapoa eremophila, daarna is de woestijn absoluut.

Na een lange rit moesten we de Pan Americana voor de zoveelste maal verlaten om de vindplaatsen te bereiken van o.a. Copiapoa (Pilocopiapoa) solaris.

Copiapoa (Pilocopiapoa) solaris Ritter
syn. Copiapoa ferox Lembcke et Bckb. bij Blanco Encalado in Chili.
Foto Buining

De zandweg naar het westen met de ondergaande zon als tegenlicht was mede daardoor bijzonder gevaarlijk en we waren tenslotte erg blij om zonder ongelukken de zeer steile bergpassen te zijn gepasseerd, zodat we in een hoog en eenzaam dal konden stoppen voor ons avondmaal en de overnachting in de wagen.

De volgende morgen kwamen we dan aan de groeiplaats van de genoemde Copiapoa, waaraan Copiapoa ferox Backbg. synoniem is. Volgens Ritter heeft de oude Echinocactus conglomeratus Phil., niets te doen met Copiapoa solaris, zoals Lembcke meende.

Deze Copiapoa solaris is vrij gemakkelijk te vinden, als men eenmaal in dit eenzame gebied is. Echter moesten we heel lang rijden en intensief zoeken (zelfs Ritter) om ten langen leste te vinden Pyrrhocactus glaucescens, P. echinus var. minor en de wonderbaarlijke Pyrrhocactus floccosus. Heel hoog in de bergen vonden we nog tenslotte Copiapoa tenuissima als grote zeldzaamheid. De aldaar rondtrekkende Guanaco's vreten deze plantjes regelmatig af, hetgeen wel uit de voetsporen en de afgevreten restanten bleek.

(wordt vervolgd)

All material, except where otherwise credited, is Copyright
  © 2001-2006 Paul Klaassen
 
---------- end of page ----------