Toen ik Ritter eens vroeg
waarom juist hij zoveel soorten cactussen gevonden had en de
andere verzamelaars veel minder, antwoordde hij, dat deze heren
niet die moeilijke en gevaarlijke klimpartijen ondernamen en
zodoende niet op die bijzondere plaatsen waren geweest, waar hij
juist zijn meest bijzondere planten gevonden had. Hij heeft
honderden bergen bestegen met als vaak enig resultaat het vinden
van een oude niet meer bekende plant of één nieuwe soort en dit
dan slechts op elke 10 bergen hoogstens één bijzondere plant.
Voor ons was dit
betrekkelijk eenvoudig omdat wij met Ritter regelrecht op het doel
konden afgaan, alhoewel er wel momenten waren, dat ik nauwelijks
de moed en de kracht kon opbrengen nog verder bergopwaarts te gaan.
Alleen de brandende liefde voor deze planten, geeft je dan de
energie om verder te gaan.
Vooral als je dan hoog in
de bergen onverwachts stuit op groepen van Copiapoa krainziana,
naar mijn smaak de mooiste Copiapoa die tot
dusverre bekend is. Kleine importen of uit zaad gekweekte
exemplaren van deze soort doen je voor jezelf een denkbeeld vormen
hoe deze planten er in de eigen natuur uitzien, maar dit beeld
klopt geenszins met de werkelijkheid, althans bij mij niet.
Prachtige grote groepen, dicht en lang bedoornd, variërend van
vrijwel sneeuwwit, lichtgrijs, iets blauwachtig, tot aan
donkergrijs, maakten de hellingen langs een hoog dal tot een waar
cactussprookjesparadijs. Zo iets vergeet men niet weer. En
alhoewel ik op de lange en nogal steile terugtocht een keer lelijk
viel te midden van mooie groepen Copiapoa cinerea, waar ik
kennelijk meer aandacht voor had dan voor de moeilijke afdaling,
de C. krainziana belevenis kon niets meer verstoren.
Op 24 januari verder
gaande vonden we langs de nog al steile kust Copiapoa cinera
var. albispina en de nogal sterk verbreide en
massaal voorkomende Copiapoa haseltonia, waarvan we
mooie foto's konden maken en veel zaad verzamelen. Verder in het
binnenland kwamen we op de groeiplaats van Copiapoa humilis,
die momenteel veel minder talrijk voorkomt dan ik had gedacht.
Ook Pyrrhocactus paucicostatus var. viridis
komt niet veelvuldig voor. Hogerop vonden we groepen van
Backeberg's Copiapoa gigantea, die deze destijds in
de nacht tijdens een taxi-autorit naar Taltal vond. Het verschil
met C. haseltonia is zeer gering te noemen.
We moesten moeilijke
klimpartijen maken om op de stoffige plaatsen in de rotsen te
komen waar Ritter's Pyrrhocactus cachitaensis var.
elongatus en de variëteit densispinus
groeit. Geleidelijk kwamen wij tot op 2000 m hoog in de
woestijnbergen, waar als enige plant voorkomt Copiapoa
eremophila, daarna is de woestijn absoluut.
Na een lange rit moesten
we de Pan Americana voor de zoveelste maal verlaten om de
vindplaatsen te bereiken van o.a. Copiapoa (Pilocopiapoa)
solaris.
De zandweg naar het
westen met de ondergaande zon als tegenlicht was mede daardoor
bijzonder gevaarlijk en we waren tenslotte erg blij om zonder
ongelukken de zeer steile bergpassen te zijn gepasseerd, zodat we
in een hoog en eenzaam dal konden stoppen voor ons avondmaal en de
overnachting in de wagen.
De volgende morgen kwamen
we dan aan de groeiplaats van de genoemde Copiapoa,
waaraan Copiapoa ferox Backbg. synoniem is. Volgens Ritter
heeft de oude Echinocactus conglomeratus Phil.,
niets te doen met Copiapoa solaris, zoals Lembcke
meende.
Deze Copiapoa solaris
is vrij gemakkelijk te vinden, als men eenmaal in dit eenzame
gebied is. Echter moesten we heel lang rijden en intensief zoeken
(zelfs Ritter) om ten langen leste te vinden Pyrrhocactus
glaucescens, P. echinus var. minor en de
wonderbaarlijke Pyrrhocactus floccosus. Heel hoog in de
bergen vonden we nog tenslotte Copiapoa tenuissima als
grote zeldzaamheid. De aldaar rondtrekkende Guanaco's vreten deze
plantjes regelmatig af, hetgeen wel uit de voetsporen en de
afgevreten restanten bleek.