De ellende van verdwaald
zijn werd even vergeten, maar toen moesten we toch op de een of
andere manier verder. We doken dus omlaag de ondiepe dalen in, op
goed geluk naar het noorden koersend. Een pad was er niet meer en
tot overmaat van ramp raakte de auto op een gegeven moment
volkomen vast in diep mul zand. Het was midden op de dag en
zinderend heet. Vol moed begonnen we alle drie de banden vrij te
graven en vervolgens sleepten we overal stenen van de rotsen aan
die gelukkig in de buurt waren, om de mulle gaten op te vullen. Na
enige uren zwoegen gelukte het Ritter toch de auto uit het gat te
krijgen op wat vastere bodem. Toch bleef het zeer gevaarlijk.
Gelukkig kregen we weer een op- frisser toen we een zeldzame
cristaat vonden van Copiapoa columna-alba, waarbij we ook
aantroffen Thelocephala malleolata. Ik besloot vooruit te
lopen om aan Ritter aan te geven waar de mulle zandige stukken
waren. Zo kwamen we tenslotte weer op een soort zandweggetje
terecht, dat Ritter kende enwe kwamen dan ook spoedig in een uniek
vlak veld aan waar duizenden Copiapoa columna-alba's
stonden als kleine pinguins. Een fantastisch gezicht al deze
solitair staande 'menhir' beeldjes daar te zien.
Omdat verder op dicht bij
zee een verlaten goudmijn was, konden we veilig verder rijden en
Copiapoa longistaminea en C. grandiflora
verzamelen. De manier om daarna aan zee bij een vissershut te
komen was eigenlijk niet geschikt voor een auto. We moesten door
een ravijn rijden waarvan de wanden iets verder van elkaar stonden
dan. de breedte van de auto. De 'weg' ging daar over allerlei
rotsblokken, zodat we weer doodsangst uitstonden om hopeloos vast
te raken. Om werkelijk interessante planten te vinden moet men
eenvoudig bepaalde soms zeer gevaarlijke risico's nemen. Enfin we
kwamen er door en ook op de plaats, van de andere kant bereikbaar,
waar Hutchison destijds zijn Pyrrhocactus taltalensis
verzamelde. Na enkele klimpartijen te voet bracht Ritter mij
bij zijn Eriosyce rodentiophilla en Copiapoa
hornilloensis, uiterst zeldzame planten. Verder op
kwamen we bij de groeiplaats van Thelocephala esmeraldana.
Dicht bij zee in een
vallei met losgespoelde rotsblokken kwamen we voor die dag aan ons
einddoel en doodmoe kropen we onder de dekens, nadat mijn vrouw
een maal bereid had. De volgende morgen bleek de vissershut
verdwenen te zijn. Om Copiapoa columna alba var. nuda
en C. rupestris te verzamelen moesten we een
zeer steile berg beklimmen. De ellende was, dat er aan de rotsen
geen houvast was en ik vaak op mijn buik voorzichtig over losse
steenslag omhoog moest schuifelen. Tenslotte boven gekomen hadden
we een schitterend uitzicht over de zee. Er stonden daar boven
prachtige exemplaren van Copiapoa columna alba var.
nuda, maar Ritter, die natuurlijk veel eerder boven
was dan ik, had al klauterend geconstateerd, dat Copiapoa
rupestris verdwenen was. Goede raad was duur, zodat we
tenslotte besloten om maar weer naar beneden te gaan, waar mijn
vrouw ons met een maal zou opwachten. Zelf zag ik zó op om
dezelfde weg weer naar beneden te gaan, dat ik besloot tegen het
advies van Ritter in, langs een ravijn, dat ontstaan was door
vroegere zware regenval, naar onderen te klauteren. Aanvankelijk
ging het goed. Er waren wel loodrechte stukken van soms zeker 10
meter, maar daar had ik in ieder geval houvast aan stevige
rotsblokken. Maar, zoals Ritter al voorspeld had, daar stond ik na
veel klauteren ineens voor een stuk loodrechte afgrond van zeker
100 meter diep. Afdalen was daar onmogelijk op je eentje.
Ontmoedigd zette ik mij op een rotsblok neer keek eens rond en
ontdekte tot mijn stomme verbazing een paar groepen Copiapoa's
die zeer beslist C. rupestris moesten zijn. Na
een paar foto's genomen te hebben, een plant uitgegraven en in
mijn rugzak bij de fototoestellen gestopt te hebben, klauterde ik
wat hogerop om contact te krijgen met Ritter. Na veel geschreeuw
verscheen hij ergens op een top. Op mijn roep, dat ik toch
Copiapoa rupestris gevonden had, schreeuwde hij dat dit
vrijwel onmogelijk was, maar toch kwam ook hij door het ravijn
naar beneden en constateerde dat dit inderdaad zijn beschreven
Copiapoa rupestris was. Weliswaar met frisse moed na deze
zeldzame ontdekking, moest ik toch weer een paar honderd meter
stijgen en toch weer die ellendige steile steenslag afdaling maken.
Er gebeurden geen ongelukken en we kwamen veilig beneden aan.
Het cactusgebied ten
zuiden van Taltal is zeer interessant. Er komen daar meer of
minder zeldzaam voor, Pyrrhocactus occultum (thans
zeer zeldzaam geworden door het wegvreten van ezels), Copiapoa
desertorum, C. cinerea en C. rubriflora.
Vooral C. cinerea maakt prachtige groepen. Vaak veel
dieper landinwaarts op hoge bergen vonden wij na lange
wandeltochten en klauterpartijen, Pyrrhocactus cachitaensis
(syn. hankeana var. taltalensis?) en de
variëteit flaviflorus, voorts Eulychnia
breviflora var. taltalensis, Trichocereus fulvilanus
en Copiapoa montana.