Copiapoa - Living on the Edge
Online Texts

[ home ]   [ Nederlands ]   [ English ]
[ Part I ]   [ Part II ]   [ Part III ]   [ Part IV ]   [ Part V ]   [ Part VI ]  [ Part VII ]   [ Part VIII ]   [ Part IX ]   [ Part X ]
[ Part XI ]   [ Part XII ]   [ Part XIII ]   [ Part XIV ]   [ Part XV ]   [ Part XVI ]   [ Part XVII ]

Succulenta

1971 (6):133-158

Een reis met Friedrich Ritter langs de kustgebieden van Chili en Peru
pt IX

A. F. H. BUINING

De ellende van verdwaald zijn werd even vergeten, maar toen moesten we toch op de een of andere manier verder. We doken dus omlaag de ondiepe dalen in, op goed geluk naar het noorden koersend. Een pad was er niet meer en tot overmaat van ramp raakte de auto op een gegeven moment volkomen vast in diep mul zand. Het was midden op de dag en zinderend heet. Vol moed begonnen we alle drie de banden vrij te graven en vervolgens sleepten we overal stenen van de rotsen aan die gelukkig in de buurt waren, om de mulle gaten op te vullen. Na enige uren zwoegen gelukte het Ritter toch de auto uit het gat te krijgen op wat vastere bodem. Toch bleef het zeer gevaarlijk. Gelukkig kregen we weer een op- frisser toen we een zeldzame cristaat vonden van Copiapoa columna-alba, waarbij we ook aantroffen Thelocephala malleolata. Ik besloot vooruit te lopen om aan Ritter aan te geven waar de mulle zandige stukken waren. Zo kwamen we tenslotte weer op een soort zandweggetje terecht, dat Ritter kende enwe kwamen dan ook spoedig in een uniek vlak veld aan waar duizenden Copiapoa columna-alba's stonden als kleine pinguins. Een fantastisch gezicht al deze solitair staande 'menhir' beeldjes daar te zien.

Omdat verder op dicht bij zee een verlaten goudmijn was, konden we veilig verder rijden en Copiapoa longistaminea en C. grandiflora verzamelen. De manier om daarna aan zee bij een vissershut te komen was eigenlijk niet geschikt voor een auto. We moesten door een ravijn rijden waarvan de wanden iets verder van elkaar stonden dan. de breedte van de auto. De 'weg' ging daar over allerlei rotsblokken, zodat we weer doodsangst uitstonden om hopeloos vast te raken. Om werkelijk interessante planten te vinden moet men eenvoudig bepaalde soms zeer gevaarlijke risico's nemen. Enfin we kwamen er door en ook op de plaats, van de andere kant bereikbaar, waar Hutchison destijds zijn Pyrrhocactus taltalensis verzamelde. Na enkele klimpartijen te voet bracht Ritter mij bij zijn Eriosyce rodentiophilla en Copiapoa hornilloensis, uiterst zeldzame planten. Verder op kwamen we bij de groeiplaats van Thelocephala esmeraldana.

Dicht bij zee in een vallei met losgespoelde rotsblokken kwamen we voor die dag aan ons einddoel en doodmoe kropen we onder de dekens, nadat mijn vrouw een maal bereid had. De volgende morgen bleek de vissershut verdwenen te zijn. Om Copiapoa columna alba var. nuda en C. rupestris te verzamelen moesten we een zeer steile berg beklimmen. De ellende was, dat er aan de rotsen geen houvast was en ik vaak op mijn buik voorzichtig over losse steenslag omhoog moest schuifelen. Tenslotte boven gekomen hadden we een schitterend uitzicht over de zee. Er stonden daar boven prachtige exemplaren van Copiapoa columna alba var. nuda, maar Ritter, die natuurlijk veel eerder boven was dan ik, had al klauterend geconstateerd, dat Copiapoa rupestris verdwenen was. Goede raad was duur, zodat we tenslotte besloten om maar weer naar beneden te gaan, waar mijn vrouw ons met een maal zou opwachten. Zelf zag ik zó op om dezelfde weg weer naar beneden te gaan, dat ik besloot tegen het advies van Ritter in, langs een ravijn, dat ontstaan was door vroegere zware regenval, naar onderen te klauteren. Aanvankelijk ging het goed. Er waren wel loodrechte stukken van soms zeker 10 meter, maar daar had ik in ieder geval houvast aan stevige rotsblokken. Maar, zoals Ritter al voorspeld had, daar stond ik na veel klauteren ineens voor een stuk loodrechte afgrond van zeker 100 meter diep. Afdalen was daar onmogelijk op je eentje. Ontmoedigd zette ik mij op een rotsblok neer keek eens rond en ontdekte tot mijn stomme verbazing een paar groepen Copiapoa's die zeer beslist C. rupestris moesten zijn. Na een paar foto's genomen te hebben, een plant uitgegraven en in mijn rugzak bij de fototoestellen gestopt te hebben, klauterde ik wat hogerop om contact te krijgen met Ritter. Na veel geschreeuw verscheen hij ergens op een top. Op mijn roep, dat ik toch Copiapoa rupestris gevonden had, schreeuwde hij dat dit vrijwel onmogelijk was, maar toch kwam ook hij door het ravijn naar beneden en constateerde dat dit inderdaad zijn beschreven Copiapoa rupestris was. Weliswaar met frisse moed na deze zeldzame ontdekking, moest ik toch weer een paar honderd meter stijgen en toch weer die ellendige steile steenslag afdaling maken. Er gebeurden geen ongelukken en we kwamen veilig beneden aan.

Het cactusgebied ten zuiden van Taltal is zeer interessant. Er komen daar meer of minder zeldzaam voor, Pyrrhocactus occultum (thans zeer zeldzaam geworden door het wegvreten van ezels), Copiapoa desertorum, C. cinerea en C. rubriflora. Vooral C. cinerea maakt prachtige groepen. Vaak veel dieper landinwaarts op hoge bergen vonden wij na lange wandeltochten en klauterpartijen, Pyrrhocactus cachitaensis (syn. hankeana var. taltalensis?) en de variëteit flaviflorus, voorts Eulychnia breviflora var. taltalensis, Trichocereus fulvilanus en Copiapoa montana.

(Wordt vervolgd)

All material, except where otherwise credited, is Copyright
  © 2001-2006 Paul Klaassen
 
---------- end of page ----------