Op 19 januari moesten wij een grote zandige vallei met mul
zand oversteken om bij een bergreeks te komen. Zig zag ging het
omhoog, aanvankelijk over een ezelpaadje. Kunt U zich de sensatie
voorstellen om dan tenslotte je lunch te gebruiken zittend te
midden van de zo zeldzame Copiapo hypogaea. De
plantjes waren nauwelijks te vinden. De rest van de dag trokken we
over eindeloos schijnende bergkammen waar we aantroffen,
Eulychnia saint pieana met haar interessante bloemen,
Pyrrhocactus intermedius, P. scoparius, Copiapoa bridgesii, C.
mollicula en C. serpentisulcata. Het botaniseren
en vooral het maken van foto's nam nogal veel tijd in beslag. Vlak
v๓๓r de afdaling troffen we hier Opuntia tunicata
aan. Het was reeds avond toen wij doodmoe beneden
kwamen. De volgende dag trokken we door wilde kloven om tenslotte
de groeiplaats te bereiken van Pyrrhocactus pulchellus,
die vaak onbereikbaar in spleten tegen loodrechte rotswanden
groeit. Verder trekkend konden we die dag nog verzamelen
Pyrrhocactus pilispinus en Copiapoa cinerascens
var. intermedia (syn. C. applanata Bkg.)
Ver weg van de grote weg
op bergen langs de zeekust ontdekte Ritter zijn Pyrrhocactus
pygmaeus, Copiapoa cinerascens en op een afgelegen berg
Copiapoa barquitensis. 's Avonds namen we een bad in
de koude Humboldtstroom langs het volslagen eenzame strand.

Copiapoa hypogaea Ritter in de hoge
kustgebergten in Chili.
Foto Buining
De volgende morgen hadden
wij de keus, ๓f terug naar de Pan Americana, ๓f op vrijwel totaal
uitgewiste paadjes meer of minder langs de zeekust naar het
noorden te rijden. De keus was moeilijk, omdat de laatste 'weg'
zeer riskant was, hetgeen wel zou blijken. We kozen inderdaad de
avontuurlijke weg, waarbij we na het passeren van een zeer
gevaarlijk mul zandig gedeelte in een gebied terecht kwamen
waarbij de sporen enige malen op de zeekust doodliepen en we weer
terug moesten, om verder landinwaarts ons opnieuw te ori๋nteren.
Dit ori๋nteren kwam natuurlijk op Ritter neer. Hij liep weer vaak
tijden lang, om zich op een heuvel beter te kunnen ori๋nteren.
Voor de zoveelste keer kwamen we weer op de kust uit, in dit geval
bleken we na meting ongeveer 1000 m boven de zeespiegel te zijn
aangeland. Een machtig gezicht, maar we waren hopeloos verdwaald.
Plots stootten Ritter en ik tegelijk op kleine cactussen, die
vrijwel geheel in de rotsachtige grond waren opgenomen. Er waren
bij nader onderzoek en na het wegkrabben of blazen van wat
steenslag of stof, groepjes m้t en vrijwel zonder dorens.
Aanvankelijk aarzelden we of het een Thelocephala of
een Copiapoa was, maar toch meenden we tenslotte,
dat het hier een onbekende species van Copiapoa
moest zijn, hetgeen later juist bleek te zijn.
(Wordt vervolgd)
|