Copiapoa - Living on the Edge
Online Texts

[ home ]   [ Nederlands ]   [ English ]
[ Part I ]   [ Part II ]   [ Part III ]   [ Part IV ]   [ Part V ]   [ Part VI ]  [ Part VII ]   [ Part VIII ]   [ Part IX ]   [ Part X ]
[ Part XI ]   [ Part XII ]   [ Part XIII ]   [ Part XIV ]   [ Part XV ]   [ Part XVI ]   [ Part XVII ]

Succulenta

1971 (4):97

 

Een reis met Friedrich Ritter langs de kustgebieden van Chili en Peru
pt VII

A. F. H. BUINING

Om bij de groeiplaats van Copiapoa megarhiza te komen moesten we de volgende morgen door een wel zeer armelijke volkswijk rijden. Tussen het dal van deze wijk en een dergelijke wijk ernaast was een bergrug en op deze bergrug speelden zich hele veldslagen tussen de jeugd der beide wijken af. Men bekogelde elkaar met de talrijke aanwezige stenen. Als de ene partij te ver oprukte bemoeiden zich de vaders en de oudere broers er mede en juichend trok de dan winnende troep op, achter de voor de grote keien vluchtende jongens aan. Dit spel herhaalde zich dan na een poosje van de andere kant. Temidden van dit tumult trachtten wij nog wat planten van de reeds zo lang bekende Copiapoa te vinden, wat gelukkig goed gelukte. We moesten echter wel erg goed op onze wagen en deszelfs inhoud passen. Na met een zeker risico nog een paar foto's van deze plant genomen te hebben verlieten wij schielijk het slagveld om weer naar de kust te gaan, waar we in een redelijk hotel, met een uiterst grappige vrij rondlopende pinguin, een slaapplaats konden vinden. De volgende morgen vroeg gingen we langs de kust op pad om na een paar uur lopen in een gebied aan te komen waar volgens Ritter de echte oude Thelocephala odieri zou groeien.

Welnu, na zeer lang zoeken vonden we inderdaad nog een paar van deze plantjes, die ik zorgvuldig op de plaat vastlegde. Zeer zeker staan daar nog meer van dergelijke planten, maar ze zijn zó verscholen onder steenslag en stuifzand, dat men ze slechts vindt als ze in bloei staan. De hele dag was hier mee gemoeid zodat we nogmaals in het hotel moesten blijven. De volgende morgen noordwaarts gaande zochten we uren lang naar Thelocephala krausii, waarvan 95% verdroogd en dood bleek te zijn. Deze soort lijkt wel door de droogte uitgestorven te zijn. Op de terugweg die tenslotte naar Chañaral leidde vonden we nog de zeldzame Thelocephala longirapa, met een wortel langer dan 30 cm, Thelocephala malleolata var. solitaria en Eriosyce megacarpa, temidden van losse keislag en rotsblokken. Het was al bijna donker toen we in de stad aankwamen tijdens een groot feest. In de kleine hotelkamer bij de markt werden we door brullende luidsprekers tot diep in de nacht uit de slaap gehouden. Dat is dan de beschaving. Dan slapen we toch maar liever in de totaal eenzame wildernis, waar slechts zo nu en dan 's nachts een woestijnvosje zijn interessante stem laat horen.

Tot Chañaral hadden we telkens vrij zware bergstijgingen ondernomen waarbij mijn vrouw tot mijn verwondering vaak moedig meeging. Het is wonderbaarlijk zoals wij samen daar genoten hebben en vooral nu achteraf beschouwd beseffen we pas hóé heerlijk alles was. Zo primitief leven in de absolute natuur is voor onze zogenaamde beschavings-mensen werkelijk een verademing, vooral als je dan cactus- en natuurliefhebber bent. Maar dat mijn vrouw hiervan heeft genoten is wel een extra vermelding waard, omdat zij op haar leeftijd in een situatie terecht kwam, waartegen een jonge vrouw zeer beslist had opgezien. Ritter met zijn 70 jaren was ons beiden veruit de baas. Hij klauterde met  het gemak van een berggeit tegen de steile hellingen op en was ons of mij steeds ver vooruit.

(Wordt vervolgd)

All material, except where otherwise credited, is Copyright
  © 2001-2006 Paul Klaassen
 
---------- end of page ----------