Om bij de groeiplaats van
Copiapoa megarhiza
te komen moesten we de volgende morgen door een wel zeer
armelijke volkswijk rijden. Tussen het dal van deze wijk en een
dergelijke wijk ernaast was een bergrug en op deze bergrug
speelden zich hele veldslagen tussen de jeugd der beide wijken af.
Men bekogelde elkaar met de talrijke aanwezige stenen. Als de ene
partij te ver oprukte bemoeiden zich de vaders en de oudere broers
er mede en juichend trok de dan winnende troep op, achter de voor
de grote keien vluchtende jongens aan. Dit spel herhaalde zich dan
na een poosje van de andere kant. Temidden van dit tumult
trachtten wij nog wat planten van de reeds zo lang bekende Copiapoa
te vinden, wat gelukkig goed gelukte. We moesten
echter wel erg goed op onze wagen en deszelfs inhoud passen. Na
met een zeker risico nog een paar foto's van deze plant genomen te
hebben verlieten wij schielijk het slagveld om weer naar de kust
te gaan, waar we in een redelijk hotel, met een uiterst grappige
vrij rondlopende pinguin, een slaapplaats konden vinden. De
volgende morgen vroeg gingen we langs de kust op pad om na een
paar uur lopen in een gebied aan te komen waar volgens Ritter de
echte oude Thelocephala odieri zou groeien.
Welnu, na zeer lang zoeken vonden we inderdaad
nog een paar van deze plantjes, die ik zorgvuldig op de plaat
vastlegde. Zeer zeker staan daar nog meer van dergelijke planten,
maar ze zijn zó verscholen onder steenslag en stuifzand, dat men
ze slechts vindt als ze in bloei staan. De hele dag was hier mee
gemoeid zodat we nogmaals in het hotel moesten blijven. De
volgende morgen noordwaarts gaande zochten we uren lang naar Thelocephala krausii,
waarvan 95% verdroogd en dood bleek te zijn.
Deze soort lijkt wel door de droogte uitgestorven te zijn. Op de
terugweg die tenslotte naar Chañaral leidde vonden we nog de
zeldzame Thelocephala longirapa, met een wortel langer dan
30 cm, Thelocephala malleolata var. solitaria en
Eriosyce megacarpa,
temidden van losse keislag en rotsblokken. Het
was al bijna donker toen we in de stad aankwamen tijdens een groot
feest. In de kleine hotelkamer bij de markt werden we door
brullende luidsprekers tot diep in de nacht uit de slaap gehouden.
Dat is dan de beschaving. Dan slapen we toch maar liever in de
totaal eenzame wildernis, waar slechts zo nu en dan 's nachts een
woestijnvosje zijn interessante stem laat horen.
Tot Chañaral hadden we telkens vrij zware
bergstijgingen ondernomen waarbij mijn vrouw tot mijn verwondering
vaak moedig meeging. Het is wonderbaarlijk zoals wij samen daar
genoten hebben en vooral nu achteraf beschouwd beseffen we pas hóé
heerlijk alles was. Zo primitief leven in de absolute natuur is
voor onze zogenaamde beschavings-mensen werkelijk een verademing,
vooral als je dan cactus- en natuurliefhebber bent. Maar dat mijn
vrouw hiervan heeft genoten is wel een extra vermelding waard,
omdat zij op haar leeftijd in een situatie terecht kwam, waartegen
een jonge vrouw zeer beslist had opgezien. Ritter met zijn 70
jaren was ons beiden veruit de baas. Hij klauterde met het
gemak van een berggeit tegen de steile hellingen op en was ons of
mij steeds ver vooruit.