Het was onvermijdelijk
dat wij tenslotte in een dal tussen kale okerkleurige naakte
leembergen, in absolute eenzaamheid, in onze wagen moesten
overnachten. Bij het ondergaan der zon krijgen deze bergen een
merkwaardige kleur, die elk ogenblik in gele, bruine, en
okerkleurige nuances verandert. Het is een kleurenspel, dat ons
Europeanen volkomen vreemd is. We waren erg vermoeid en vielen op
onze wel uiterst primitieve bedden neer alsof het heerlijke
zachtverende matrassen waren en sliepen in enkele minuten.
De volgende morgen bleek,
dat in het aangrenzende dal een indianenhut stond. We vonden op de
scheidende heuveltop Thelocephala fulva. Aan een
indianenjongen vroegen we of er in de buurt een waterbron was,
hetgeen hij bevestigde. Het water uit de bron bleek echter totaal
brak te zijn, waaraan het indianengezin blijkbaar gewend was
evenals de daar voorkomende Llamasoort, de Guanaco. We konden ons
dus goed wassen en de motor nog wat water geven. De indianenjongen
kwam toen snel van de hut, met stenen pijlpunten aangelopen, die
gevonden worden in de woestijn. De Incas van Cuzco in Peru hebben
namelijk honderden jaren geleden slag moeten leveren tegen de
wilde indianenstammen in de woestijnen, die toen even grote
moeilijkheden voor de bevoorrading opleverden als de troepen van
Napoleon en Hitler in de Russische wintersteppen.
Voor we weer op de grote
weg kwamen reden we door een streek met veel groepen van
Copiapoa dura. Toen we tenslotte op de Pan Americana in
een armzalig soort herberg aankwamen, bleek dat we door de benzine
heen waren. We hadden dus erg veel geluk gehad. Met veel moeite
konden we daar 10 liter 'gasolina' lospraten, zodat we tenslotte
veilig en wel in de stad Copiapó aankwamen waar we ons in een
eenvoudig hotelletje konden verfrissen en douchen.