Copiapoa - Living on the Edge
Online Texts

[ home ]   [ Nederlands ]   [ English ]
[ Part I ]   [ Part II ]   [ Part III ]   [ Part IV ]   [ Part V ]   [ Part VI ]  [ Part VII ]   [ Part VIII ]   [ Part IX ]   [ Part X ]
[ Part XI ]   [ Part XII ]   [ Part XIII ]   [ Part XIV ]   [ Part XV ]   [ Part XVI ]   [ Part XVII ]

Succulenta

1971 (3):72 - 73

Een reis met Friedrich Ritter langs de kustgebieden van Chili en Peru
pt VI

A. F. H. BUINING

Na lang aarzelen, waarbij Ritter dikwijls uit de wagen ging en een heel eind het mulle zand in liep om zich te oriënteren, kwamen we toch tenslotte op de plek waar hij jaren geleden op een berg de prachtige Neoporteria laniceps vond. Een uiterst zeldzame plant, die in de lengte, hardheid en kleur der bedoorning nog al varieert. Ze is slechts met uiterst riskante klimpartijen te bereiken. Niet ver van daar kwamen prachtige groepen Copiapoa carrizalensis voor en zowaar zelfs tot verrassing van Ritter twee mooie groepen cristaten van deze plant. Vóór we aan de groeiplaats van Neoporteria sociabilis kwamen vonden we nog schitterende groepen van Copiapoa carrizalensis var. gigantea. Verder op zagen we tussen stenen Copiapoa echinata var. borealis en Thelocephala glabrescens.

Kustlandschap in Chili met groepen Copiapoa carrizalensis var. gigantea Ritter.
Foto Buining

Het was onvermijdelijk dat wij tenslotte in een dal tussen kale okerkleurige naakte leembergen, in absolute eenzaamheid, in onze wagen moesten overnachten. Bij het ondergaan der zon krijgen deze bergen een merkwaardige kleur, die elk ogenblik in gele, bruine, en okerkleurige nuances verandert. Het is een kleurenspel, dat ons Europeanen volkomen vreemd is. We waren erg vermoeid en vielen op onze wel uiterst primitieve bedden neer alsof het heerlijke zachtverende matrassen waren en sliepen in enkele minuten.

De volgende morgen bleek, dat in het aangrenzende dal een indianenhut stond. We vonden op de scheidende heuveltop Thelocephala fulva. Aan een indianenjongen vroegen we of er in de buurt een waterbron was, hetgeen hij bevestigde. Het water uit de bron bleek echter totaal brak te zijn, waaraan het indianengezin blijkbaar gewend was evenals de daar voorkomende Llamasoort, de Guanaco. We konden ons dus goed wassen en de motor nog wat water geven. De indianenjongen kwam toen snel van de hut, met stenen pijlpunten aangelopen, die gevonden worden in de woestijn. De Incas van Cuzco in Peru hebben namelijk honderden jaren geleden slag moeten leveren tegen de wilde indianenstammen in de woestijnen, die toen even grote moeilijkheden voor de bevoorrading opleverden als de troepen van Napoleon en Hitler in de Russische wintersteppen.

Voor we weer op de grote weg kwamen reden we door een streek met veel groepen van Copiapoa dura. Toen we tenslotte op de Pan Americana in een armzalig soort herberg aankwamen, bleek dat we door de benzine heen waren. We hadden dus erg veel geluk gehad. Met veel moeite konden we daar 10 liter 'gasolina' lospraten, zodat we tenslotte veilig en wel in de stad Copiapó aankwamen waar we ons in een eenvoudig hotelletje konden verfrissen en douchen.

(Wordt vervolgd)

All material, except where otherwise credited, is Copyright
  © 2001-2006 Paul Klaassen
 
---------- end of page ----------