Het eerst vonden we de
typische sterk behaarde windvruchten van ons plantje. De zaden
waren er natuurlijk al lang geleden uitgerold. Maar het spoor van
deze vruchtmummies volgend, vonden we tenslotte in de gierende
wind deze interessante planten, die nu in onze verzamelingen, dank
zij het vroegere zaad van Ritter, als heel gewone planten
beschouwd worden, maar in werkelijkheid ter plaatse zeer zeldzaam
zijn en nauwelijks te vinden.
Toen we beneden kwamen,
had mijn vrouw een voedzame sobere pot klaar. Afwassen, tanden
poetsen en handen wassen was er niet bij, want onze watervoorraad
moest bewaard blijven uitsluitend voor eten en drinken en
eventueel voor de motor. Zo gingen we dan met het donker worden in
onze slaapcabine in de auto. Daar waren we geleidelijk wel aan
gewend geraakt en we sliepen dan ook als rozen.

Thelocephela napina (Phil.) Ito op de
ijzerertsbergen bij Huasca.
Foto Buining
Eenmaal weer op de grote
weg kwamen we naar de kust weldra bij rotsen terecht die voor een
zeer groot percentage uit ijzererts bestonden. Hier groeiden
Pyrrhocactus huascensis, Thelocephala napina, Neoporteria villosa
en Copiapoa fiedleriana.
Interessant was, dat we
op de verschillende bergtoppen vele Neop. villosa
vonden, zowel met vrij zware stugge dorens, maar ook met meer
zachte borstelige dorens. Op sommige plaatsen vond ik kennelijk
jongere planten tussen diepe rotsspleten met heel zachte
borstelige, ja zelfs bijna haarachtige bedoorning, die sprekend
leken op Backeberg's Neoporteria cephalophora.

Berglandschap in Chili waar groeien Copiapoa
alticostata Ritter, Copiapoa cuprea Ritter
en Pyrrhocactus atroviridis Ritter.
Foto Buining
Ze groeiden direct naast
de typische Neop. villosa met stugge dorens, zodat
hier niet van een soort sprake is. Veel verder landinwaarts vonden
we langs de weg, op een paar bergpassen Copiapoa alticostata
en C. cuprea, benevens hele groepen Opuntia
mieckleyi en Eulychnia acida.
Daarna wees Ritter de weg
naar de moeilijk te vinden Pyrrhocactus crispus (syn.
Neochilenia nigriscoparia Backbg., die later beschreven werd),
Thelocephala lembckei, Copiapoa vallenarensis en een
Neoporteria species FR 1088. Vervolgens ging het weer
langs ezelpaden de wildernis in, tot dicht bij de kust waar we de
prachtig witte Copiapoa dealbata vonden en
Thelocephala nuda. Direct aan de kust groeide
Copiapoa echinata en C. carrizalensis.

Groeiplaats van de Pyrrhocactus crispus
Ritter, syn. Neochilenia nigriscoparia Bckbg. Foto Buining
Na gegeten te hebben
moesten we weldra weer pal noord rijden om de groeiplaats van
bepaalde planten te bereiken. Ritter zag wel wat tegen deze tocht
op, omdat het deels door een absolute mulle zandwoestijn ging.
Bovendien was hem bekend, dat in dit gebied dikwijls door sterke
wind uit zee de ezelpaden geheel met stuifzand bedekt worden,
waardoor het rijden onmogelijk wordt en men bovendien gemakkelijk
de weg totaal kwijt raakt. Op mijn sterke aandringen waagden we
het er maar op. Verschillende malen liep de weg eenvoudig dood aan
zee, waar soms een paar tijdelijk bewoonde vissershutten stonden.
We moesten dan terug om ons geluk verder op te proberen. Gebeurt
er hier iets dan is men verloren, want hoogstens eens per maand
komt hier iemand langs.
(Wordt vervolgd)
|